• 30 oktober 2014
  • Invent to Lear: een boek om te koesteren
    Herinneringen kwamen boven het lezen van het inspirerende en goed geschreven Invent To Learn. Making, Tinkering and Engineering in the Classroom (ITL) van Sylvia Libow Martinez en Gary Stager. Zonder twijfel een van de mooiste edtech-boeken van de laatste 20 jaar. Het geeft een helder overzicht van moderne onderwijsopvattingen die een lange voorgeschiedenis kennen. Daarover direct meer.

    Probeer eens na te gaan wat ooit jezelf gemaakt hebt en wat je ervan hebt geleerd? Een persoonlijk voorbeeld. Toen ik in de tweede klas van de middelbare school zat, raakte ik bevriend met Gerard. Wij deelden onze hobby: de fotografie. We begonnen zelf onze films te ontwikkelen en bouwden onze eigen kisten voor het maken van contactafdrukken van onze negatieven. Dat deed ik thuis in het donker in een gangkast. Analoge fotografie is prachtig, maar wel kostbaar. Zie deze uitleg.

    Later kwam daar onder meer een vergrotingskoker bij voor het maken van vergrotingen. Nog steeds weet ik alles van de (logaritmische) relatie tussen diafragma’s en sluitertijden, DIN en ASA, ontwikkelaars, fixeren, lenzen en glanspersen. Het nu bijna versleten Prisma-handboek fotografie van Peter Charpentier kenden we zowat uit ons hoofd. We leerden de beginselen van de optica en fotografie door te doen, te experimenteren en te lezen.
    Het eerste hoofdstuk ITL getiteld de ‘Incomplete history of making’ is compact (‘Insanely brief’) maar zeer de moeite waard. Van Rousseau via o.a. Dewey, Montessori en Piaget naar Seymour Papert (spreek uit zoals in sgt.Pepper lonely hearts club band) en dat in bijna 20 pagina’s, chapeau. Papert wordt gezien als de godfather van de makermovement en ITL maakt duidelijk waarom.

    De opmerkingen over de redundantie van buzz-woorden zoals de veelgebruikte 21th century skills en het gepersonaliseerd leren zijn raak. Leren is altijd ‘personal’ stelt ITL maar wordt wel vaak in sociaal verband geconstrueerd. Communiceren en samenwerken vormen het cement van nieuwe kennis. De beroemde MIT-icomputergeleerd Marvin Minsky wordt geciteerd als hij het heeft over het Papert’s principle: “Cruciale stappen in geestelijke groei zijn niet simpel gebaseerd op het verwerven van nieuwe vaardigheden, maar ook het verwerven nieuwe manieren die we gebruiken bij wat we al weten.” Het belang van spelen voor de cognitieve ontwikkeling wordt nog eens onderstreept en de relatie met Vygotski’s Zone van naaste ontwikkeling komt in ITL aan de orde.

    Een mooi Nederlands voorbeeld (staat niet in ITL) is te vinden in een filmpje dat voor de vakantie is gemaakt over het project Lerend spelen van lector Annerieke Boland. Het gaat hier om kleuters. Vanaf het moment dat ik mij met edtech (midden jaren ’80) werd ik snel beïnvloed door Papert’s Mindstorms. Overigens was Papert’s werk kennelijk niet geheel onomstreden. Zo ontmoette ik in de jaren ’80 een keer de legendarische wiskundige en didacticus prof. Freudenthal en meldde hem vol trots dat ik Seymour Papert ging interviewen. Als door een wesp gestoken reageerde hij. Deze man is een ‘fraud’ . Hij heeft nog nooit serieus onderzoek gedaan, stelde Freudenthal met overslaande stem. Toen ik Papert sprak, leek het me beter hem slechts vriendelijk de groeten van Freudenthal overgebracht waarop hij verheugt de groeten terug overbracht. Mijn bezoek aan hem in 1986 en het net geopende Medialab heb ik al eerder beschreven.

    De kracht van ITL is dat het zowel theoretisch sterk is, maar ook praktisch en inspirerend. Je kunt er als docent direct mee aan de slag. Het gemaakte onderscheid tussen constructivisme (als leertheorie met in de kern actief, sociaal leren, met de leerling/learner in het centrum) en constructionisme (als op constructivistische leest geschoeide manier van onderwijzen/teaching) werkt verhelderend. Ook het werk van Carl Bereiter verdiende vermelding. Het is jammer dat bij Mitchel Resnick nergens zijn cruciale bijdrage aan de Computerclubhuizen wordt (inmiddels in 20 landen en tot 2011 ook in Nederland). Resnick is de vader van deze beweging.

    In deze clubhuizen in Amerikaanse maar ook Indiase achterstandswijken werden in de jaren ’90 de principes van de Maker movement door meest vrijwilligers in praktijk gebracht. We zien dat de Maker movement teruggrijpt op de Logo-ontwikkelingen van de jaren ’80. Ik heb het retro-innovatie genoemd tijdens presentatie op een studiedag aan de Universiteit Groningen (in 2006) met als titel Het nieuwe leren: zo oud als de weg naar Rome.

    Maar uiteindelijk is Nederland, zoals zo veel landen een andere richting ingeslagen. Erg jammer. Waarom? wat is er fout gegaan? In mijn SLO-informatica groep zaten zeker drie Logo-enthousiastelingen. En toch. Dit vergt nader onderzoek.
    Een ding staat vast: de recente (nou ja recent) aandacht voor coding, maker movement, en computational skills schept nieuwe kansen. Het brengt ons weer terug bij de principes van de Papert cs uit de jaren ‘80.

    Overigens mijn vriendschap met mijn oude schoolvriend Gerard heeft standgehouden. Hij werkt ook in het onderwijs en we zien elkaar regelmatig. We zijn volgend jaar 50 jaar bevriend. Of dat met samen uitvinden te maken heeft weet ik niet. Het is er in ieder geval wel mee begonnen.

    janlepeltakj.lepeltak@learningfocus.nl

    komenskypost drp_animatie threeships prowise1 RDL b2pn120x120 sms-taal120x75