• 8 april 2010
  • Hoe kun je leerkrachten stimuleren om ICT te gebruiken in hun lessen?
    Een vandaag de dag voor de hand liggend antwoord is: WEB2.0…

    Web 2.0Zo simpel is het antwoord. Het gebruik van WEB2.0-toepassingen is immers zo eenvoudig, dat… een jongere er meteen aan de slag mee kan, zonder te beseffen wat die WEB2.0 betekent. Leerkrachten volgen de andere – voor hen zekerder weg: leer me wat dat begrip inhoudt, bewijs het didactische nut en ik pas het toe in mijn lessen. Waar zit immers het pedagogische in YouTube, enz., hoe kan ik dat programma op een didactische wijze aanwenden om het leren te bevorderen?

     

    Als de eenvoud ervan zo duidelijk is zou moeten blijken uit het grote gebruik van WEB2.0-toepassingen in het onderwijs, tot je op zoek gaat naar het reële gebruik van deze WEB.2.0-toepassingen: hoe komt het toch dat je zo moeilijk aan voorbeelden van good practice toekomt? Daar waar jongeren intuïtief te werk gaan, moet een leerkracht wel eerst een gebruiks-aanwijzing hebben, het liefst door een of andere instantie geofficialiseerd, want het moet wel allemaal in het leerplan en de VOETen (Vakoverstijgende eindtermen) enz. een fundament gekregen hebben.

    WEB 2.0Onlangs hoorde – en zag ik uit mijn linker ooghoek – op Teachers.tv een didacticus die de vinger in de wonde legde. Hij gaf precies aan wat het probleem is met ICT: leerplancommissies, allerlei instanties doen er jaren over om een en ander goed te keuren, terwijl de evolutie van het internet zich dag dagelijks en met grote snelheid afspeelt. Het vernieuwende van ICT dat zich at the bottom afspeelt, wordt afgevlakt in de tijd door de richtlijnen en adviezen van the top. Leerkrachten die nieuwe technologieën toepassen, nemen een groot risico omdat ze de paden van de officiële zekerheid verlaten. Onderwijs dat in se vernieuwend zou moeten zijn, hinkt achter op de realiteit. De kloof tussen de basis en de top wordt steeds maar groter net zoals de kloof tussen de jongeren en ouderen. Beleidsmakers zijn niet meteen de internet- en computerfreaks: ze moeten zich laten leiden door de specialisten die een voor hen vaak onbegrijpelijke taal spreken.

    Een duidelijk voorbeeld van deze dubbelsporigheid maakte ik onlangs mee voor en na een studiedag over WEB2.0 door REN-Vlaanderen, afdeling Limburg. Men predikte daar de voordelen van het sociale delen, terwijl je de toelating moet krijgen om documenten te gebruiken die daar werden voorgesteld… M.a.w. men promoot vanuit instanties hoe het onderwijs nut kan halen uit WEB2.0, maar als het erop aankomt, moet je eerst een kniebuiging maken om de voordelen van WEB2.0 in de praktijk te brengen. Het gebruiken van een toepassing als WEB2.0 moet een stempel krijgen van een officieel orgaan, wat van de basis komt is pas goed genoeg als het ‘goedgekeurd’ wordt. Als je iets wil gebruiken dat van the top komt, moet je ook daar een toelating voor krijgen. De omgekeerde WEB2.0-wereld.

    WEB 2.0WEB2.0 heeft kennelijk dus toch zijn grenzen, zeker als het begrip zijn toepassing krijgt in het onderwijs. Daar waar het principe van WEB2.0 is: alles kan, alles mag, de gebruiker is ‘the content’, hij of zij vult de inhoud op, het is de andere gebruiker die kiest, sorteert, favorieten opslaat, commentaar geeft, artikels pleegt, zijn eigen weblog onderhoudt, zijn vrienden kiest… en niemand die ook maar het recht heeft om zijn plezier te beknotten, zeker de specialisten niet – en daarmee wordt bedoeld: de instanties, de officiëlen, … Bij het deelnemersveld zitten uiteraard ook ‘experts’, en die zullen wel aan hun trekken komen: de waarheid wordt echter door de massa geschreven! De tijd van het grote gelijk van de woordenboekschrijver is voorbij: Wikipedia is dé waarheid. Tot men ontdekt dat onder die massa ook ettertjes zitten, of betaalde beroeps-bedrijfsschrijvers die de artikels wel naar hun hand zetten. En dan krijgt het geloof in the content that’s you een ferme deuk. Het stemgedrag via gsm kan gedirigeerd worden door belangengroepen, statistieken van succesrijke sites kunnen beïnvloed worden door gespecialiseerde softwaregebruikers, enz. enz.

    Laten we dus in het onderwijs ook maar meteen kritisch zijn – maar dit is natuurlijk een goedkoop advies, want kritisch zijn we wel. Kritisch ook om iets niet te gebruiken.

    De kenmerken
    Kenmerken van WEB2.0-toepassingen opsommen zou leerkrachten moeten overtuigen zelf dergelijke toepassingen in hun lessen te gebruiken. In zijn Presentatie van De Gruyter laten we de revue passeren:

    1. Collectieve intelligentie (De eindgebruiker, jij, wij, staan centraal)
    2. Het web als platform (Bereikbaar, waar en wanneer je wilt)
    3. 2.0-diensten > enkele tool (Van iMac, naar iPod, IPhone tot iTV)
    4. Data, inhoud, informatie, kennis (Manipuleer, aggregeer, hergebruik, creëer, combineer, deel, mashup!) 5
    5. Niets is af, alles is BETA (End of the software release cycle)
    6. Een rijke gebruikerservaring (mooi, handig, functioneel, simpel, duidelijk)

    Of: Een tweede fase in de ontwikkeling van het World Wide Web. Van een collectie websites naar een compleet platform van interactieve webapplicaties voor de eindgebruikers van het web… applicaties die beter worden naarmate meer mensen ze gebruiken. (einde citaat)

    Welke van de zes kenmerken zijn dan de aantrekkingspolen voor het gebruik in het onderwijs? Met wat moeite kom ik tot drie invalshoeken die voor het onderwijs zinvol zijn, in mijn volgorde van belangrijkheid: 6, 2 en 4.

    Waarom is punt 1 de collectieve intelligentie dan geen goed argument omWEB2.0 in het onderwijs te promoten? Ik zeg met de strenge stem van de lesgever: dit kenmerk staat haaks op wat het onderwijs pretendeert: kennis overdragen van specialisten naar leerlingen. Ik neem het voorbeeld van Klascement.net, een WEB2.0-site van eigen bodem, waarbij ik in ieder geval heel veel kenmerken herken die ik boven opsomde. Maar wat wensen leerkrachten? Dat de bijdragen gecontroleerd worden, dat zij een stempel krijgen van goedkeuring, het liefst van een hogere instantie; omdat KC onder de hoede staat van het Departement van Onderwijs krijgt het voldoende goodwill van de collega’s. Alle bijdragen werden altijd al gemodereerd, ook voor de WEB2.0-versie 7. Het principe blijft hoe dan ook omdat de eindgebruiker centraal staat, en bovendien de controle gebeurt door … leerkrachten, en dat is voor de collega’s een geruststelling. En toch, het is bij vele collega’s ingebakken dat een document van een collega officieel zou moeten worden goedgekeurd. Zij hebben immers een leerplan met al dan niet ruim omschreven doelstellingen. Het is alsof ze op de foto willen staan bij een belangrijk persoon, waardoor de indruk ontstaat dat de belangrijkheid op hen afstraalt. Ook door de koepels wordt als het ware neergekeken op het werk van de onderdanen: is dit document wel didactisch verantwoord? Past dit wel in het leerplan? Deze houding wijst hier op een gebrek aan vertrouwen in de professionaliteit van de leerkrachten.

    Mijn stelling is dus dat de collectieve intelligentie in het onderwijs wordt geweerd omdat de zekerheden daardoor wegvallen. Je zou kunnen zeggen dat WEB2.0 op dat vlak tegenstrijdig is met de doelstellingen van het onderwijs. De greep op wat waarheid en onwaarheid is wordt kleiner: het internet is de oorzaak van verwarring. Wie weet vandaag nog wie het bij het rechte eind heeft? Om die reden zal het onderwijs op veilige afstand van de collectieve intelligentie van WEB2.0 blijven. De structuur is van top naar bottom – en zelfs een wereldwijd internet haalt (voorlopig) het systeem niet onderuit.

    De tegenstellingen
    Punt 3. 2.0 diensten > enkele tool (Van iMac, naar iPod, IPhone tot iTV) veeg ik meteen van tafel. Bij mijn weten worden in de meeste scholen geen Macs gebruikt, en de auteur verwijst hier naar Appleproducten. Bovendien worden gsm’s, pda’s… als indringers gemist als kiespijn. De muren van de school sluiten de buitenwereld af, hoogstens kunnen leerlingen onder toezicht en zeer gericht gebruik maken van het internet. Het gebruik van de Digitale OpenLeeromgeving is ook een bewaker van wat binnen- en buitengaat. Zo ‘Open’ is zo’n omgeving dus niet – en op sommige/vele scholen is het ook nog eens verboden om programma’s te installeren zonder de toelating van de ICT-coördinator. Ik zag eens op een BETT-beurs hoe leerlingen en leerkrachten in een school volop gebruik maakten van PDA’s. Ik zie het hier niet meteen gebeuren, tenzij op heel kleine schaal…

    WEB 2.0Punt 5. Niets is af, alles is BETA (End of the software release cycle). Ook dit kenmerk is compleet tegengesteld met wat onderwijsmensen wensen: half werk dulden ze niet. De leerling die niet de tijd had om zijn huistaak af te werken, zal op weinig begrip kunnen rekenen; een leerling die halfweg de les op zoek gaat naar boeiender onderwerpen, mag zich minstens aan een berisping verwachten; de leerling die omwille van persoonlijke omstandigheden niet is klaar geraakt met het verwerken van de leerstof, zal geen genade krijgen als hij beweert dat zijn studieschema gebaseerd is op WEB2.0. Er zijn geen bèta-examens en min-of-meer geslaagde testen met diploma’s die als bèta worden afgeleverd. De systematische op deadlines gebaseerde streefdata geven maar weinig ruimte voor de eigen studie-indeling. Het reglement is een door de ouders goedgekeurd document dat het richtsnoer is voor de leerling en de leerkracht. Afwijkingen worden niet toegestaan: deze op afspraken gestoelde leer- en leefwereld is zoveel duidelijker omlijnd en gestructureerd en op wetten en decreten geschreven, door instanties goedgekeurd, zwart op wit gedrukt, met als eindpunt de handtekeningen van de ouders. Lessen moeten in vijftig minuten opgebouwd worden, met doelstellingen, bordschema’s en didactische en pedagogische wetmatigheden. Waar het internet niet-hiërarchische, anarchistische en ongebreidelde mogelijkheden biedt, wordt de school als een strikte en vaak ook als een strenge top-down-structuur ervaren.

    De argumenten pro Punt 2.
    Het web als platform (Bereikbaar, waar en wanneer je wil) en
    Punt 4. Data, inhoud, informatie, kennis (Manipuleer, aggregeer, hergebruik, creëer, combineer, deel, mashup!)

    Ik vind niet dat dit typische kenmerken zijn van WEB2.0 – maar van het internet. (Ik laat hier de problematiek van de auteursrechten en het plagiaat in dit bestek buiten beschouwing). Leerkrachten hoeven echt niet te weten of ze nu bezig zijn met WEB1.0 of WEB2.0. De meesten zitten hoe dan ook vaak vast aan hun eigen softwarepakketten, en als de kennis en vaardigheden verder gaan, is de inspiratie dikwijls beperkt tot een zoekopdracht op het internet. Of ze daar zelf genoeg expertise in hebben, is dan weer een andere vraag. Maar dat geldt ook voor de jongeren die vaak verkeerdelijk als experts worden beschouwd. In mijn artikel Selecteren van bronnen dat verscheen in COS en VONK, kom ik tot volgende samenvatting:

    Uitgaande van verkeerde veronderstellingen kan een leerkracht een minderwaardigheidscomplex cultiveren en ervan uitgaan dat zijn leerlingen een gave hebben om de internetwereld te verkennen waar hij geen of minder affiniteit mee heeft vanuit zijn eigen opleiding.

    Veronderstellen dat het internetgebruik automatisch het leren bevordert, blijkt uit onderzoek niet zo vanzelfsprekend te zijn: kinderen kunnen wel het technische aspect oppervlakkig onder de knie te hebben, inhoudelijk hebben zij zeker hulp nodig om uit het grote aanbod van ‘kaf’ het ‘koren’ te onderscheiden. Het leren via het internet is bovendien ook niet zo vanzelfsprekend, want het beklijvende leren is meer dan het zoeken naar prentjes en het kopiëren en plakken van teksten. Daar is jammer genoeg nog te weinig onderzoek naar gedaan.

    Toch is een didactisch streven een noodzaak in het huidige informatieaanbod. Daarbij is de leerkracht een goede richtingaanwijzer op voorwaarde dat hij zelf de nodige ervaring opdoet om vanuit deze zoektocht op een adequate manier het web te verkennen. Daarbij kan hij ondersteuning krijgen en zich laten leiden door een aantal concrete aandachtspunten om het web te doorgronden; aangezien ook andere instanties en collega’s al een weg hebben afgelegd, kan hij een beroep doen op de expertise van deze ervaringen.

    Door zelf op een gedegen manier samen te zoeken met zijn leerlingen naar concrete peilpunten en die te toetsen op resultaten van collega’s kan hij een expertise opbouwen om de generatie van jonge gebruikers adequaat te begeleiden op hun zoektocht op het internet. Daarbij zijn voorbeelden van good practice’ haalbare stappen naar kennisuitbreiding bij de leerlingen via het internet….

    Dat een leerkracht het nog altijd niet als doodgewoon ervaart om ICT te gebruiken in zijn lessen, is open deuren intrappen. In dit verband haal ik mijn conclusies aan uit mijn artikel/blog ICT breekt niet echt door in het SO.

    Het is begrijpelijk dat ICT geen stormloop kent in de scholen. De hindernissen en struikelblokken om als leerkracht dit medium te gebruiken zijn zeer groot. Ik heb alle begrip voor de moeilijkheden om met ICT om te gaan in het onderwijs. Vergeten we ook niet dat de school zoveel taken naar zich toegeschoven kreeg – en nog steeds krijgt – dat de druk op de leerkrachten enorm is toegenomen. Het is niet verwonderlijk dat jonge leerkrachten al na enkele jaren afhaken. De vakantie als beloning is zelfs geen argument om te blijven. Hebben zij in hun beginjaren nog extra tijd om ICT te integreren in hun lessen? Velen verwachten dat zij de supergemotiveerden zijn om ICT aan te wenden in het onderwijs.

    En de oudere leerkrachten? Kunnen zij nog overtuigd worden van de meerwaarde van ICT als ze heel hun loopbaan een eigen methode hebben ontwikkeld – en vaak persoonlijke succeservaringen hebben beleefd? Moeten zij nog risico nemen terwijl er geen garantie is op succes?

    Ik houd dus een vurig pleidooi om niet te overdrijven: ICT is om diverse redenen een must in het onderwijs, maar laten we de kerk in het midden houden… Lesgeven blijft een roeping en het is de persoonlijkheid van de leerkracht die de leerling kan overtuigen om echt te leren. Niet de laptop of de computer, evenmin als het handboek, of het uitgebalanceerde bordschema.

    Ik vrees dat men nu ook weer té vlug aanneemt dat de meeste leerkrachten klaar zijn om de WEB2.0-toepassingen in hun lessen te gebruiken. Velen zijn zelfs nog niet aan WEB1.0 toe, laat staan dat zij nu het licht hebben gezien van WEB2.0… We kénnen nu Word, en we moeten nu alweer veranderen… is de begrijpelijke redenering.

    Het meest doorslaggevende element om WEB2.0 in het onderwijs te gebruiken hield ik voor het laatst.

    Punt 6. Een rijke gebruikerservaring (mooi, handig, functioneel, simpel, duidelijk). Alleen al om die ene reden is het de moeite meer dan waard om zelf de handen uit de mouwen te steken en stappen te zetten in het rijke WEB2.-aanbod. Liever dan het warme water zelf uit te vinden, pas ik de beginselen van WEB2.0 toe: ik manipuleer, aggregeer, hergebruik, creëer, combineer, deel, mashup… m.a.w. ik verwijs naar links en documenten van anderen, volgens het principe van Creative Commons.

    Peter Van Gils zorgde voor een overzichtelijke website WEB2.0 op school. (Gemaakt met Joomla!, dat is nogal wiedes!) Het keuzemenu biedt de leerkracht een overzichtelijk aanbod van mogelijkheden, gaande Web 2.0 op schoolvan bestanden, over blogs, favorieten, informatie… tot portfolio, multimedia en andere. Met dank aan Peter stelde ik een ICT-nieuwsbrief samen voor de scholengemeenschap rond WEB2.0 op school. In het kader van de Informaticawerking van de Diocesane Pedagogische Begeleidings-dienst Brugge (DPB) werd een document opgesteld rond het thema ‘Wat is digitale didactiek’ (klik op Vakbegeleiding > Informatica). Ook hierin krijgt WEB2.0 de volledige aandacht.

    Ik eindig waar ik mee begonnen ben: de studiedagen van REN-Vlaanderen. Je vindt alle documenten op de site van REN-Vlaanderen. Je kunt er de presentaties, didactische fiches (Doelstellingen, Koppeling aan eindtermen, Verantwoording, Vereisten, Verloop / uitvoering, Praktijkvoorbeeld en/of gebruikerservaringen, Bijkomende informatie) downloaden en hulpkaarten voor de leerlingen met instructies en schermafbeeldingen. Ik bracht deze documenten ook samen voor de collega’s op de Portaalsite van de Scholengemeenschap OLVGroeninge

    Naschrift:
    Enkele dagen later ontving ik een e-mail waarin ik verplicht werd om binnen de 24 uur alles te verwijderen van de portaalsite van de scholengemeenschap. Ik deed het binnen de tien minuten – ik wou eens zien hoever met die ‘openheid’ zou drijven… Waarmee het bewijs geleverd is dat wat ik schreef over WEB2.0 op school héél wat beperkingen heeft… Nu maar hopen dat onze leerkrachten de weg vinden naar REN…

    (Deze blog is een WEB2.0-toepassing. Deze tekst is niet af, is dus BETA.)

    Dirk RommensDirk Rommens

    Dirk is medewerker van KlasCement. Eerder was hij ICT-coördinator (didactiek) van de SG O.L.V. Groeninge. Hij ontving in 2007 uit handen van Federaal Minister van Informatisering Peter Vanvelthoven de CST-Award ICT-inspirator van het jaar.


    Recente Artikels en Blogs

     

    RDL b2pn120x120 sms-taal120x75