• 16 september 2015
  • Belangrijke lessen uit Ontario
    We kennen in het Nederlandse onderwijs allerlei competities met predicaten als top, excellent, inspiratie, leraar van het jaar, de nieuwste school enzovoort. Daar is niks mis mee zolang maar niet de illusie bestaat dat ons onderwijs daar in de breedte veel mee opschiet. Er moet meer gebeuren. We willen geen tweedeling tussen enkele hippe, moderne scholen (pizzazzs in onderwijsland) en de meerderheid die achteraan hobbelt. De kernvraag is hoe bereik je brede duurzame verbetering bij de scholen?

    In zijn boek How to Change 5000 schools. A practical and Positive Approach for Leading Change at Every Level. gaat auteur Ben Levin daar gedetailleerd op in. Levin is nuchter. Verandering kost tijd en het hele onderwijssysteem kan voor succes niet leunen op bijzondere mensen met goeie ideeën zoals Evers en Kneijber, waaraan we per definitie altijd een tekort hebben. De opvallen prachtige nieuwe ideeën, (‘the pizzazzs’ onthoud dat woord) zijn leuk maar de echte inspanning is het te laten werken. How to Change is een belangwekkend boek voor iedereen die zich bezighoudt met de verbetering van het (Nederlandse) onderwijs. Levin heeft zich als topambtenaar samen met Michael Fullan gedurende lange tijd ingezet voor de succesvolle verbetering van het onderwijs in Canadese staat Ontario. Ontario, met als hoofdstad Toronto, is interessant omdat het in omvang en onderwijssysteem (enigszins) vergelijkbaar is met Nederland (het telt13 miljoen inwoners met 5000 scholen maar is ruim 20x zo groot als Nederland). Het is ook sterk geürbaniseerd. Ontario kent het beroemde Ontario Institute for Studie in Education (OISE) waaraan ook Fullan was verbonden en dat ik enkele jaren geleden zelf bezocht.

    Duurzaam verbeteren
    Onder duurzame verbetering verstaat Levin een brede, verbetering van de studieresultaten van leerlingen die standhoudt. Dan gaat niet alleen om rekenen/wiskunde en taal en de resultaten gemeten door tests. Het gaat er ook om de kloof in leerresultaten tussen de verschillen bevolkingsgroepen te verkleinen. Dat is voor ons zeer relevant. Kijk bij ons naar wie er op vmbo-scholen en havo-vwo scholen zitten. (zie bijv. de factsheet Dienst Onderwijs en Onderzoek gemeente Amsterdam. Maar het gaat om meer. Volgens Levin verander je alleen iets wanneer je dat doet op een zodanig wijze dat je docenten/onderwijsleiders, studenten en ouders moreel ondersteunt. Het betekent dat je niet nog eens onevenredige extra inspanningen aan hen vraagt maar de kracht van de school en het systeem versterkt en het vertrouwen van het publiek versterkt. Sleutelwoorden bij dit alles zijn professionalisering (en mede daardoor capacity building), vertrouwen en ruimte scheppen voor de leerkracht. Het betekent niet dat alle testen verdwijnen, maar wel dat er anders mee wordt omgegaan.

    Via lerarenraad sterke positie
    Het belangrijkste verschil met Nederland is dat de rol en de positie van ouders en docenten die in Ontario veel sterker is dan hier. Dankzij het inmiddels bijna honderd jaar oude artikel 23 uit onze grondwet ligt de uitvoerende macht in Nederland voor het PO en VO nog steeds overwegend bij de schoolbesturen. Van een in zuilen ingedeelde samenleving (katholieken, protestanten, en de rest) is alleen in het onderwijs nog sprake. Er is een Wet Medezeggenschap Scholen waarmee getracht wordt ouders ook inspraak te geven. Een wet die uitsluitend bij onderwijsjuristen tot in de details begrepen wordt. De in het recente Lerarenmanifest voorgestelde lerarenraad moet er snel komen. De tijd lijkt na bijna 100 jaar rijp voor een grondwetswijziging m.b.t. artikel 23.

    Daarbij speelt de politiek een belangrijke rol. In Ontario heeft 90% van de klassen in PO-scholen max.20 leerlingen. Dat ligt bij ons anders. De besturenorganisatie genaamd PO-raad vindt klassengrootte een zaak van de schoolbesturen zoals zij meldt op haar site van 6 juni 2015. Dit standpunt is het ook standpunt van staatssecretaris. Dekker. We zien in ons land nog steeds klassen van 28 leerlingen en meer. Het (stijgende) gemiddeld is 23,3 leerlingen. Maar werken met gemiddelden is verhullend. Een actiegroep bepleitte zonder succes een wettelijk maximum van 28 leerlingen. Zoals blijkt uit AOB-onderzoek, scoort Nederland meer dan gemiddeld hoog als het gaat om werkdruk in het onderwijs.

    Wat wel en niet werkt
    Laten we eens kijken naar Nederlandse initiatieven:

    • Een lerarenraad die inhoudelijk meepraat en beslist. Deze bestaat in Ontario en zou hier ook moet komen.
    • Flip the classroom. Is een leuke aanvulling. Het Vereist wel de nodige kennis- en ervaring van docenten.
    • Nieuw (kern)curriculum. Dat kan in principe een bijdrage leveren aan verbetering, maar dan wel met kwalitatief goede resources voor de docenten. Aan het hoofd van veel educatieve uitgeverijen staan nu marketeers. ‘Of ik nu een boek verkoop of een pak zeep’ maakt me niet uit, zei een hoofdmarketing en later directeur van een van de grootste educatieve uitgeverijen mij eens. Buitendiens medewerkers (de verkopers) werden plots uitgevers. De eerste die zich op een nieuw kerncurriculum zullen storten zijn de educatieve uitgevers.
    • De gedachte dat docenten nu veel zelf materiaal zouden kunnen maken is echter een illusie gezien de werkdruk en geringe ervaring. Maar via professionalisering zou daar wel aan gewerkt kunnen werken.Het ‘blame-and shame’ karakter van het publiceren van de openbare test resultaten en inspectieverslagen werkt ook naar scholen toe niet erg positief.
    • Het lerarenregister. Het verplichtend opleggen van nascholing d.m.v. een puntensysteem/bekwaamheidsdossier of iets dergelijks om de kwaliteit van de docenten te verbeteren werkt niet. Dat slechts 2 % van de leerkrachten zich in 2015 heeft ingeschreven i.p.v. de beoogde 40% en men in 2017 100% wil bereiken, spreekt boekdelen. Het zal hopelijk niet leiden tot dwingende averechtse maatregelen vanuit de overheid.
      Of zoals Levin stelt: duurzame verbetering kan niet van buiten af worden afgedwongen. Verbetering kan alleen plaatsvinden wanneer onderwijsmensen (educators) dat als positieve ondersteuning ervaren.

    Er is niet één recept dat leidt tot verbetering. Het is een combi van allerlei acties zoals decentralisatie, professionele learning communities, beschikbaarheid van kwalitatief goede leermiddelen, professionalisering van docenten en schoolleiders waarvoor ruimte moet worden gecreëerd. Onderwijs moet uit zijn eigen veilige comfortzone er moeten relaties ontstaan tussen studenten, gezinnen, buurten, met als doel het onderwijs en de leerpraktijk samen te verbeteren. Begrippen als ICT, internet, 21th-century skills etc. kwam ik niet een keer in Levin’s boek tegen. Ook dat is weleens verfrissend.

    door: Jan Lepeltak – j.lepeltak@learningfocus.nl

    janlepeltak

    komenskypost parnassys drp_animatie threeships prowise1 prowise1 RDL b2pn120x120
    sms-taal120x75